Achtergronden vrijeschoolonderwijs

Het onderwijs aan de vrijeschool is gebaseerd op de ideeën van de Oostenrijker Rudolf Steiner, grondlegger van de antroposofie. Nederland kent nu ongeveer tachtig vrijescholen, waarvan er tien ook voorgezet onderwijs verzorgen. In het vrijeschoolonderwijs wordt uitgegaan van het feit dat niet alleen cognitieve kennis van belang is, maar ook ontplooiing van creativiteit en sociale vaardigheden. Zo leert het kind niet alleen zijn hoofd (denken) gebruiken, maar ook zijn hart (voelen) en handen (willen).

We richten ons sterk op het individuele kind, door niet alleen te kijken naar wat het kind kán, maar vooral naar wie hij ís. We bieden kinderen de mogelijkheid te experimenteren met verschillende vormen van leren. Hierbij geeft het klassikale onderwijs ingang om ook de sociale ontwikkeling te voeden.

Een kind doorloopt drie fasen tot aan zijn volwassenheid
1.De eerste zeven jaar staan voornamelijk in het teken van de opbouw van een gezond lichaam. Dit in samenhang met de ontwikkeling van het wilsleven van een kind. Het kind leert lopen, spreken, denken, zijn lichaam beheersen en oefent zijn grove en fijnere motoriek.

2.In de tweede zeven jaar staat het verwerven van emotionele vaardigheden centraal. Van klas één t/m zes wordt de wereld ontdekt vanuit het gevoelsleven. Naast het automatiseren van cognitieve vaardigheden wordt veel aandacht besteed aan het creatief verwerken van de leerstof en wordt een beroep gedaan op de eigen zelfstandigheid en het kunnen samenwerken met anderen.

3.In de derde periode van zeven jaar (puberteit) komt geleidelijk de ontwikkeling van het analytische, abstracte denken tot stand. Jonge mensen leren de wereld vanuit het denken te begrijpen en zijn op zoek naar hun eigen individuele weg en trachten zich een gezond eigen oordeelsvermogen te vormen.